Sponsors





Nieuwsbrief

Sponsors




Member of The Internet Defense League

Onderwerpen

 

 Open in nieuw venster

Promotie

Poll

Planeet Nibiru snel zichtbaarder voor blote oog vanaf 23 september 2017?
Anunnaki, onze Goden - (deel 152) – De bomen van Drie... (23.0)
Zondag, 12 maart 2017 14:14
PDF Afdrukken

Dit is een reeks artikelen waarin Evert Jan Poorterman ons meeneemt op een fascinerende ontdekkingsreis.

Over de komst van een ster en vooral zijn bewoners die al sinds 445.000 jaren álles, maar dan ook écht alles op onze planeet bepalen.




De Zon en de bij-Zon (slot 33)

Annie Gerding-LeComte...

over haar waarnemingen in de natuur. In het volgende filmpje (uit het programma Showroom van 13 april 1978) zien we een korte sfeerschets van Annie en haar man:



Voor mij zijn er geen grenzen aan de fantasie (van mijzelf en anderen) van de mens. Ik verklaar niet zo gauw iemand voor gek; ja mijn moeder. Die is de laatste tijd gewoon gek. Dat was ze al, maar de contouren worden duidelijker. Met het afkalven van haar vermogen het leven op een normale manier te leiden, worden de scherpe randen van haar grillige hersenactiviteiten duidelijker zichtbaar. Soms fiets ik naar huis en mompel ik; ‘Dat mens is gek, gewoon knettergek’... als ik aan de strapatsen denk die zij dan die dag weer heeft uitgehaald.

Maar echte twijfel aan de rekbare fantasie van anderen heb ik niet (meer). Ik ben wat ouder, heb het een-en-ander gelezen en gehoord, heb mijn eigen ervaringen en tegenwoordig met internet kun je hele middagen en avonden en zelfs nachten zoet zijn met het bekijken van filmpjes over kabouters, natuurwezens, Bigfoots en Yeti’s, angstaanjagende schepsels van de nacht van we niet eens wisten dat die hier ook rondliepen... en die met het ‘wakker’ worden van de planeet door de komst van de naderende tweede ster RA naar boven kruipen en onder hun stenen vandaan komen en kunnen we zin en onzin bekijken over ‘buitenaardsen’ en andere aliens... die vaak meer ‘aards’ zijn dan wij denken. Hieronder het verhaal over het ontstaan van Drie op de Veluwe.

De bomen van Drie

‘Er waren eens drie jonge reuzen, waar ze vandaan gekomen waren weet geen mens, maar op een keer waren ze er gewoon. Zij leefden onbezorgd. Ze aten veel en ze dronken veel en ze waren blij en vrolijk. Als ze samen stoeiden en elkaar over de heuvels narenden; dan dreunde de grond onder hun voeten. De dwergen die in de aarde woonden, zaten verschrikt naar dit geweld te luisteren en vreesden dat de heuvels zouden instorten. Angstig gluurden ze door de struiken, maar als een van de reuzen kwam aanhollen, wisten ze niet hoe vlug ze in hun holen zouden wegkruipen. ‘s Avonds als de drie uitgelaten wilde jonge reuzen moe waren, legden zij zich te ruste naast elkaar tegen de heuvelhelling en snurkten zij zo hard dat de dwergen, die in de heuvel woonden, de gehele nacht geen oog dichtdeden.

En zo verging het dagen achtereen. Ze stoeiden de gehele dag tot ze moe waren. In de avond liepen ze hand in hand naar de grote hoogte terug. De twee jongsten sliepen dadelijk maar de oudste zat daar lang te kijken naar de ondergaande Zon en de kleurentover van de vallende avond... en hij wist niet de vreemde ontroering te verklaren die over hem heen kwam... maar eindelijk legde hij zich naast zijn broers en snurkte weldra even hard als zij. En weer deden de dwergen die nacht geen oog dicht. Toen de reuzen wakker werden zagen zij dat zij van dat punt, dat een grote hoogte was, het gehele land konden overzien. Daar lagen de bossen en de eindeloze heide en verder weg de rivieren en de meren. De oudste sprak tot de anderen; ‘Het is hier een schoon land...

we moesten ons hier vestigen en een hut bouwen’. De gehele dag sleepten zij met bomen en keien en plaggen. Vier stevige Eiken werden op de hoeken geplaatst. Daar tussen kwamen de wanden van dennenstammen en plaggen. Tegen het vallen van de avond was de woning klaar en stookten ze hun eerste vuur op de van grote keien gemaakte haard. Die nacht deden de dwergen weer geen oog dicht maar nu kwamen ze bij honderdtallen bijeen en besloten het huis af te branden. Ze werkten en sjouwden de gehele nacht en probeerden de boomstammen uit de grond te graven, maar de volgende ochtend bleek dat hun inspanningen nauwelijks effect hadden gehad. Toen de reuzen de andere dag opstonden zagen ze de gangen om de hoekpalen en dat er aan de plaggen was getrokken.


xxx

Cees Bolding 1931

De oudste zei; ‘Er schijnen hier veel konijnen te zijn’ en hij stampte met zijn hiel de gangen vast toe en legde vervolgens de plaggen weer op het dak. Des avonds, toen de Zon weer onder was, kwam het dwergenvolk weer bijeen. Eén van de voornaamste dwergen, een begenadigd spreker ook, klom op een steen en sprak de anderen toe. ‘Geliefde vrienden’, zei hij ‘onze heuvels zijn door een ware plaag bezocht. Wanneer wij die drie reuzen hier niet verwijderen, hebben we geen leven meer. Onze huizen dreigen in te storten en hun gesnurk is zo onbetamelijk, dat wij geen nacht meer de slaap kunnen vatten en bovendien eten zij op één dag met zijn drieën meer dan wij allen te samen in één jaar! Wij hebben getracht hun huis af te breken, maar dat bleek onbegonnen werk’.

De spreker werd in de rede gevallen door een enthousiast geworden mededwerg die riep; ‘Ik weet een middel, een raak middel, een afdoende middel’. ‘Welk middel is dat dan’, riepen allen. ‘We zullen vanavond wat van hun vuur uit de haard stelen en het huis er mee in brand steken. ‘Maar hoe komen wij binnen’, sprak de bezadigdste van hen. ‘Wij graven een gang naar de haard’, riep de enthousiasteling en nog voordat de eerste spreker zich weer tot het volk kon richten, liepen allen opgewonden van het spreekgestoelte weg naar de heuvel om onmiddellijk te beginnen met graven. Ze groeven en groeven, maar de drie jonge reuzen, die daar boven onbezorgd lagen te slapen, snurkten zo, dat er telkens stukken van de gang instorten en er vele dwergen het leven lieten.

Tenslotte had niemand meer de moed om het zware werk voort te zetten en het eind was een algemene vlucht verweg van de heuvel. Des anderen daags zeiden de reuzen tegen elkaar; ‘Het lijkt wel of er mollen onder het huis zitten, er is hier een gang, we zullen stenen op de vloer leggen en die vast aanstampen. Die avond zaten de reuzen op hun stenen vloer om de haard. Het vuur brandde lustig en ze zaten lang gezellig samen te praten over hun plannen Rogge te zaaien en bomen te planten. De deur stond op een kier en daar buiten, in de grote stille nacht, stonden de dwergen en die gluurden naar binnen. Ze keken bewonderend naar de drie jonge reuzen en hun nieuwe huis, naar de balken, de grote haard en de nieuwe stenen vloer. Ze bespraken en bespraken...


xxx

Roggeschelven bij Drie op de Veluwe (Teylers Museum)

De reuzen waren inmiddels gaan slapen en opeens werd de jongste van de drie reuzen wakker door brandlucht en toen hij opzag, stond het gehele vertrek vol rook en overal waren vlammen. Hij maakte zijn broers wakker en nog juist bijtijds konden ze het huis verlaten en het vege lijf redden. Nauwelijks waren ze buiten of de zware balken en binten van het dak stortten met veel geraas neer. Aan blussen viel niet meer te denken. Verbijsterd stonden de drie broeders naar de vlammenzee te kijken. ‘We hebben vergeten de deur te sluiten. De wind heeft de vonken uit de haard geblazen’, zei de een. ‘Het kan ook door een boze geest in brand gestoken zijn’, zei de ander. ‘We moeten voortaan de deur goed sluiten’, sprak de derde...

‘Eerst weer een deur hebben en morgen beginnen we weer te bouwen’. Ondertussen werden ze bekeken door dwergen achter de struiken en honderden dansten in een grote kring om het huis. Ze grinnikten en giechelden maar de reuzen zagen hen niet. De volgende dag rooiden de reuzen bomen, staken ze plaggen en de dwergen moesten met haat in hun hart aanzien dat een nieuwe bouw werd begonnen op de nog rokende plaats. Die avond nog stond er een nieuw, sterker en mooier huis. Binnen een week stonden er drie. Eromheen werden Vlierstruiken geplant om boze geesten buiten te houden, op het dak lag een pol Donderbaard (huislook) tegen het inslaan van de bliksem en ‘s avonds waren de deuren vergrendeld. Toen begonnen de reuzen de grond om te spitten... en Rogge te zaaien. Maar de dwergen brachten Engerlingen en onkruid naar de akkers zodat de oogst deels mislukte en erg schraal uitviel... en des nachts, voor er gemaaid zou worden, sloegen ze al de Rogge neer, zodat het maaien uiterst moeilijk was. Maar de drie broeders trokken het onkruid eruit en spitten het volgende voorjaar dieper en omrasterden die met dichte heggen. Ze haalden mooie jonge Beuken uit het bos en planten die boven op de berg om hun hoeven tegen de westerstormen te beschutten. De dwergen ondermijnden de boompjes en sneden de haarwortels af. De reuzen plantten er twee voor in de plaats. Zo woonden de drie reuzen naar volle tevredenheid er jaren en op een dag zei de jongste; ‘Ik trek hier weg. De grond is arm en schraal en...

dat geniepige dwergvolk begint me onderhand te vervelen. Ik ga naar het westen, daar is betere grond’. Hij pakte zijn buidel en stapte weg over de bergen, heuvels en bossen. De anderen keken hem weemoedig na en zeiden; ‘Hij zal wel spoedig terugkomen, want daar in het westen zijn ook dwergen en die zijn even hatelijk als hier’. Het werd voorjaar en ook de tweede broer trok naar het westen. Weemoedig zag de oudste hoe ook de tweede broeder opgewekt en met krachtige stappen de bergen, heuvels en bossen overtrok. De laatste bleef eenzaam achter, sloot de twee huizen en onderhield de akkers en de bomen. De plaats was hem lief geworden. En ‘s avonds als hij voor de deur zat en naar het westen keek, zweefden zijn gedachten terug naar die ene avond...

toen hij zich voor het eerst bewust was van de gang der dingen en de schoonheid van de natuur. Zo kon hij uren zitten mijmeren. Hij onderhield de akkers en de bomen. Wellicht zouden zijn broeders nog terugkomen. Op een avond, toen hij daarzo zat, zag hij ze aankomen. De jongste droeg de andere en riep met luide stem. Opeens stond hij overeind om hen tegemoet te gaan, maar toen hij stond, bemerkte hij dat het de wolken waren die hij zag voor zijn broers en dat het de stem van de wind was geweest, die hij hoorde. Er gingen jaren voorbij en de bomen groeiden. Meer dan eens trachten de stormgeesten ze omver te halen. In woeste donkere nachten kwamen ze in grote wilde horden op de bomen af, rukten aan de stoere stammen en takken...

en sloegen met hun zwarte klauwen in de kroeze kruinen. De eenzame reus schrok er menigmaal van wakker in zijn huis. Vele jaren nadat hij gestorven was kwamen daar op die heuvels en in die bossen mensen. Ze vonden er goed akkerland en drie stille met mos begroeide huizen. Ze noemden die plek Drie. De bomen staan er als beschuttende wachters. Hun wortels diep in de grond gegrepen en hun toppen torenhoog in de wind; maar ze werden dan ook door reuzen geplant!


Het bovenstaande verhaal is aangepast en sterk ingekort en komt uit het boekje; ‘Volksverhalen uit Gelderland’. Meer de volgende keer.

Evert Jan Kommee(t)man


Delen tekst zijn overgenomen uit de Statenvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap Haarlem - 1987 (350 jaren Statenvertaling 1637-1987). Ik dank Carolus Verhulst; oprichter van Uitgeverij Mirananda te Wassenaar, voor het uitgeven van Sitchin's boek en voor zijn bijdrage als vertaler van de tekst, mijn ouders, mijn gidsen en onderzoekers en schrijvers als Immanuel Velikovsky, Erich von Däniken, Robert Charroux, Zecharia Sitchin, Alan Alford, Ernst Gideon, Iman Wilkes, de schrijvers danwel samenstellers van het Oera Linda Boek en tal van andere pioniers zoals Jan van Gorp (Iohannes Goropius Becanus, geboren te Hilvarenbeek, 1518-1572), Simon Stevin van Bruggen (Brugge, 1548-1620), Berend Willem Hietbrink (Maastricht 1943-...), Hylke Welling (1933 - ...), Michel de Nostradame (St. Rémy, 1503-1566), Pieter van der Meer en Alex Onbekend en Ansi mijn mentor en taalmeester en anderen die mij inspireerden...

Voor vragen en/of suggesties kun je Evert Jan rechtstreeks mailen op evertjan(apestaart)niburu.co

EVERT JAN POORTERMAN/NIBURU.CO



Bezoek ook eens gezondheidswebwinkel Orjana.nl