rsz bloem op aardeBevrijd jezelf van de astrale en demonische krachten en word weer wie je in essentie bent: een Lichtwezen!

Kort samengevat: Wij Nederlanders houden van recht voor z’n raap dus: de waarheid over de mensheid, het hoe en waarom van alle ellende om ons heen etc., is geen ‘feel good’ verhaal – en hoe het afloopt allemaal …



Door Janny Fluiter

Eerdere delen zijn hier te vinden.

Uit “Een Licht” (1996) door Jon Whistler

Vervolg van deel 12:

Jon wordt weer Een Licht:

“Het was heet en het werk vorderde daarom langzaam op een dag, die langer scheen te duren dan anders omdat ik niemand had om mee te praten (vertaler: want Rose was bij haar Hopi familie op bezoek in Arizona, Carl was overleden en Jon z’n baas wilde geen vervanging regelen). Tegen vier uur had ik genoeg van het stof en het zweet dus ik ging terug naar kantoor.

Ik keek door het stoffige raam naar buiten, waar een zwarte Taurus stond geparkeerd, toen ik het opeens wist: “ZIJ zijn het!” En toen raakte de moedige, onverstoorbare Jon Whistler in paniek. Er werd op de deur geklopt en ik deed open. Tot mijn verbazing stond er slechts één persoon, een kleine, magere, spichtige man die eruitzag alsof een windvlaag hem zó ondersteboven zou blazen. “Meneer Whistler?” vroeg de man. “Ja”, antwoordde ik. “Wat wilt u?” Hij was van top tot teen in het zwart gekleed. Zijn pak was onberispelijk geperst en schoon en zijn schoenen glommen als twee zwarte spiegels. Hij staarde me aan met ogen, die slechts bestonden uit twee zeer smalle spleetjes, die werden beschermd door dikke, stofbrilachtige glazen. Hij lachte flauwtjes. “Ik ben van het Onderzoeksbureau voor Buitenaards Contact van de Verenigde Staten. Uw ex-collega, de heer Carl Reisenger, nam enige tijd geleden contact op met ons bureau, waarbij hij de ontdekking van een object rapporteerde, dat enige wetenschappelijke betekenis zou kunnen hebben gehad. Mag ik binnenkomen?” Het binnenlaten van deze grappenmaker zou geen enkel verschil maken, leek me, dus ik zei okee. “Kunt u zich legitimeren?” vroeg ik. Hij trok een of andere identiteitskaart tevoorschijn met een foto eraan, hield ‘m vóór m’n gezicht en trok ‘m weer snel terug, voordat ik kon zien wat erop stond of dat de foto van hemzelf was. “Dus dit is het spel en er zijn geen regels”, zei ik in mezelf. “Wel, om heel eerlijk tegen u te zijn, meneer …?” zei ik, en wachtte. “Plant”, antwoordde hij. “Meneer Plant. Ik heb geen idee waar u het over heeft. Ik weet niets van enig … object, zei u? U weet dat Carl Reisenger zichzelf opblies en dat hij waarschijnlijk mentaal gestoord was, dus ik denk niet dat het verstandig is om iets te geloven van wat hij u verteld heeft”. Als het al mogelijk was, werden de man’s ogen zelfs nog smaller terwijl hij dwars door me heen leek te kijken. Hij zei: “Ik ben niet helemaal voor niks hier naartoe gekomen, meneer Whistler. Onze organisatie weet alles over u, meneer Whistler en wij weten dat zekere opnamen bij deze gebeurtenis betrokken zijn en we weten dat u ze heeft. Het zou het beste voor u zijn als u ze aan mij overhandigde, zodat het niet nodig is om uw zaken verder te onderzoeken. Het is niet verstandig dat u betrokken raakt bij iets, waar u geen kennis over heeft. U schaatst op dun ijs, meneer Whistler”. Ik zei zo overtuigend mogelijk tegen hem: “Kijk, ik heb u verteld dat ik nergens vanaf weet. Waarom neemt u geen contact op met het hoofdkantoor?” Het was duidelijk dat ik de juiste knop had ingedrukt, want de kleine zwarte slappeling keek me kwaad aan en antwoordde: “We willen er niet te veel anderen bij betrekken omdat dit een zaak van overheidsveiligheid is. Nu, meneer Whistler …”.

Ik voelde dat ik aan de winnende hand was, dus ik sprong er meteen bovenop: “Kijk, kameraad, ik heb het je allemaal uitgelegd. Ik moet nu de winkel gaan sluiten dus ik denk dat je beter kunt opstappen”. Ik wees naar de deur. De man bewoog niet en staarde naar me door de spleetjes van z’n ogen. Toen hij sprak had z’n stem een ijzige ondertoon: “We zullen gaan praten met mevrouw Medlin en ik ben er zeker van dat zij wel zal meewerken. U kunt maar beter uitkijken, want u zou wel eens een ernstig ongeluk kunnen krijgen”. Ik voelde woede opkomen: “Wegwezen, of ik gooi je eruit!”

Zonder enige emotie draaide de koudbloedige engerd zich om en liep de deur uit. “Laat mevrouw Medlin met rust!” schreeuwde ik achter hem aan. Terwijl ik het zweet van m’n gezicht veegde, pakte ik snel m’n spullen bij elkaar en verliet het kantoor. Terwijl ik het hobbelige pad naar de autoweg afreed, bedacht ik hoe ik Rose het beste zo snel mogelijk kon waarschuwen.

In de laatste bocht, vóór ik de weg bereikte, reed ik frontaal op een zwarte auto die de weg versperde. Ik kwam in een diepe greppel terecht, en toen WHAM! Mijn ribben sloegen tegen het stuur en mijn hoofd bonkte keihard tegen de voorruit. Toen werd het donker …

Ik werd wakker en zag dat mijn auto in een greppel gedoken was. De zwarte auto was verdwenen en er waren geen tekenen dat deze er ooit was geweest. Ik vroeg me af hoe ik uit de greppel was gekomen en ging naar het wrak toe. Een lichaam hing over het stuur - en het was het mijne. “O, Jezus”, dacht ik, “Ik ben dood!”

Toen deze gedachte door m’n hoofd ging, daalde er een donkere, kolkende massa op me. Ik voelde me gevangen, opgesloten. Toen hoorde ik een sinistere, kwaadaardige lach echoën in de duisternis en ik wist wiens lach dat was: Razparil! “Dwaas klein wezen, je kunt nu nooit meer ontsnappen! Kijk naar je, dood voor de wereld! Maar als je eenmaal de derde dimensie verlaat, houden je ego en je bewustzijn als Jon Whistler op te bestaan. Je bewustzijn in de vierde dimensie is diep in slaap voor alles wat je bent, Jon Whistler en het is zinloos voor jou om door te gaan met je pogingen om je te verbinden met Zadore, want ook hij kan je niet meer helpen. Dwaas, wat voor zin had het om de opnamen te verbergen? Ze zullen nu nooit het daglicht zien”.

Ik begreep het niet. Het leek erop dat ik een lichaam had, precies hetzelfde als datgene wat verkreukeld in de auto lag. Ik kon nog steeds dezelfde lichamelijke sensaties voelen, ik voelde me niet anders dan tevoren. Dus wat bedoelde Razparil met dat mijn ego zou ophouden te bestaan? En wat was mijn bewustzijn in de vierde dimensie? En hoezo was het in slaap? Ik kon Razparil niet zien. “Waar ben je? Laat jezelf zien!” riep ik uit. Toen wenste ik dat ik dit niet gevraagd had, want vanuit de duisternis kwam z’n monsterlijke verschijning naar voren.

“Zielig wezen”, sneerde Razparil, “je bent nu in mijn domein en je donkere kant houdt je nu hier gevangen maar alleen ik kan je helpen om weg te komen”. “Wat kun je doen?” vroeg ik hem. “Eerst moet je me vertellen waar je de opnamen hebt verstopt en alleen dan zal ik je bevrijden van deze eeuwige duisternis. Dat is alles wat je hoeft te doen, dus waar zijn de tapes?”

Vervolg zie deel 14.