rsz winkelstraatDegene die het op dit moment zwaar hebben zijn de ondernemers in ons land. Keer op keer proberen ze vol goede moed iets op te bouwen en keer op keer krijgen ze of linksom of rechtsom het deksel op de neus.

We weten ondertussen dat dit geen toeval meer is, maar dat iedere vorm zan zelfstandigheid keihard zal worden aangepakt.



Het resultaat is dan ook dat er meer en meer bedrijven en meer en meer winkels zullen verdwijnen.

We kwamen op sociale media het verhaal tegen van een ondernemer die onder andere het volgende schrijft:

De Nederlandse winkelstraat verandert in rap tempo, en niet ten goede. Wie door de gemiddelde stad of het lokale dorp loopt, ziet de vertrouwde gezichten verdwijnen.

De bakker die al drie generaties brood bakt, de kroegbaas die lief en leed deelde met de buurt, en de boekhandelaar met passie voor zijn vak: ze sluiten de deuren of hangen het bordje ‘te koop’ op het raam.

Wat erachter schuilgaat is geen gezonde marktwerking, maar een diepe crisis in het midden- en kleinbedrijf (MKB) – aangewakkerd door overheidsbeleid dat de eigen ondernemers lijkt te verstikken, terwijl buitenlands kapitaal vrij spel krijgt.

Het signaal dat klinkt vanaf de winkelvloer in steden als Amsterdam en Rotterdam is even helder als verontrustend: de Nederlandse ondernemer wordt weggejaagd uit zijn eigen stad.

De huidige malaise is het directe gevolg van een opeenstapeling van crises, met de coronaperiode als katalysator. Onder het mom van ‘samen sterk’ werden ondernemers destijds gedwongen hun deuren te sluiten.

Vandaag de dag echoot die periode nog hard na.

De zogenaamde steunmaatregelen bleken vaak verschuivingen van de executie: ondernemers kampen nu met torenhoge uitgestelde belastingverplichtingen, stijgende huren en geëscaleerde energiekosten.

In plaats van de broodnodige ademruimte, reageert de overheid met een hernieuwde dadendrang op het gebied van controle en wantrouwen.

Wie vandaag de dag een nieuwe zaak wil openen, stapt in een bureaucratische mallemolen:

Eindeloze formulieren en screeningprocedures.

Strenge vergunningstrajecten en constante meldingen.

Een sfeer van structureel wantrouwen, waarbij de eerlijke starter dikwijls wordt behandeld alsof hij een crimineel vermogen probeert wit te wassen.

"Open ik een nieuwe winkel, dan moet ik me verantwoorden alsof ik Pablo Escobar ben. Nog net geen inval van de FIOD als er een paar duizend euro is geïnvesteerd." — Een gefrustreerde Nederlandse winkelier.

Het meest wrange aspect van deze situatie is de flagrante rechtsongelijkheid. Terwijl de lokale ondernemer financieel wordt uitgekleed en tot op het bot gecontroleerd, verschuiven complete vastgoed- en horecaposities in de grote steden naar buitenlandse investeerders en vage geldstromen.

Hier wreekt zich een dubbele moraal:

Lokale ondernemers dragen de zwaarste lasten, betalen de hoofdprijs aan belastingen en financieren de Nederlandse verzorgingsstaat.

Internationale partijen opereren vaak vanuit constructies die buiten het zicht van de Nederlandse fiscus vallen, ondersteund door overheden die hen thuis geen strobreed in de weg leggen.

Wanneer er kritische vragen worden gesteld over de herkomst van dit kapitaal of de maatschappelijke wenselijkheid hiervan, wordt het debat al snel gesmoord in beschuldigingen van xenofobie of racisme.

Dit politiek correcte wegkijken faciliteert in feite een vorm van oneerlijke concurrentie die de Nederlandse economie van binnenuit uitholt.

In een stad als Amsterdam wordt het probleem nog eens vergroot door de rol van de lokale overheid zelf. De gemeente fungeert hier niet zelden als een van de grootste vastgoedondernemers.

Wanneer de partij die de regels handhaaft en de vergunningen verstrekt, tegelijkertijd direct belang heeft bij hoge vastgoedopbrengsten, is er sprake van een ongezonde dynamiek.

De menselijke maat en de leefbaarheid van de buurt moeten het steevast afleggen tegen de wetten van het grote geld.

Nederland profileert zich graag als een sociaal en solidair land, maar die solidariteit begint scheuren te vertonen. Een verzorgingsstaat kan immers alleen bestaan bij de gratie van een productieve klasse die de lasten draagt.

Door het MKB – de motor van de werkgelegenheid en de sociale cohesie in de wijken – systematisch kapot te reguleren, zaagt de overheid aan de stoelpoten van haar eigen overheidsfinanciën.

Als deze trend zich doorzet, stevent Nederland af op een scenario waarin de binnensteden zielloze pretparken worden, beheerd door buitenlandse holdings.

Het enige pand dat straks nog niet verkocht is, is het belastingkantoor.

Maar ook daar zal de kas leeg blijven, omdat de productieve Nederlandse ondernemer simpelweg is weggevaagd.

Het roer moet om, vóórdat de winkelstraat definitief failliet gaat.