We weten dat er mensen zijn die in contact zijn geweest met buitenaardsen. Er zijn er echter weinigen die een jaar lang te gast zijn geweest op een buitenaardse basis.

Degene die dit overkwam moest beloven om 40 jaar lang zijn mond te houden. Het verhaal van Robert, een boer uit Frankrijk.


Voor diegenen die deel I hebben gemist, klik hier.

De geheimen beginnen zich langzamerhand te openbaren. Het is beter om langzaam te gaan, maar wel ver. Als de meerderheid van de planeet er klaar voor is, dan bestaat de mogelijkheid tot een ontmoeting.

Conferentie met Robert L in Toulon, Frankrijk, 2012 RL:

De yogasessie die jullie net hebben gezien is de yoga die ik geleerd heb van mijn gastheren, de Bioloog en de Etnoloog. Geen muziek, geen toespraak, je houding goed, het gevoel. Maar, het is een heel andere benadering dan die van de yogaklas die ik volgde in Rodez. Die cursus leek minder op het leven gericht, minder interessant, ik heb daar weinig geleerd.

Voor wat betreft mijn getuigenis wil ik Mr. Metze en Mr. Venturini danken voor het vele onderzoek dat zij hebben gedaan, in het bijzonder met betrekking tot mijn excursie naar Frankrijk in een ruimteschip dat gevolgd werd door een Mirage III. Alhoewel er veertig jaar voorbij zijn gegaan, vond ik het toch heel belangrijk dat mijn boodschap wordt gehoord. Ik denk dat er wel meer mensen zijn die zoiets hebben meegemaakt, maar ervoor hebben gekozen om niets te zeggen en dat is jammer.

We gaan veertig jaar terug in de tijd. De eerste keer dat ik erachter kwamen dat er lichtbollen bestonden was in juni 1966; eerst geloofde ik het niet. Ik kwam terug van een plaatselijk festival in de auto; het was ongeveer één uur ’s nachts. Het licht in de voortuin brandde. Dat was niet normaal en ik dacht dat er iets aan de hand was. Misschien was er een dier ziek of iemand anders, iets klopte er niet. Mijn grootmoeder zei tegen mij: “Er waren bewegende lichtbollen die omhoog kwamen vanuit het veld naast het huis. We waren bang dat ze brand zouden veroorzaken”.

Ze ging naar bed met haar kleren aan. Natuurlijk keek ik overal goed rond, maar er was niets meer te zien. Het was midden in het hooiseizoen. We waren gaan slapen en dachten niet langer aan de bollen. Toen, in de eerste week van januari 1967 was ik hooi aan het scheppen en ik zag dat mijn grootvader de schuur uitliep om buiten naar iets te kijken. Hij zei: “Kom eens kijken, daar zijn die bollen…”. Ik liep voorzichtig de schuur uit maar zag niets. Mijn vader zei: “Ze gingen net uit. Het ene moment zien we ze, het volgende moment zijn ze weg alsof er een lichtknop wordt omgedraaid”

Ik hervatte mijn werk. Na een paar minuten hoorde ik: “Kom kijken, kom kijken, ze zijn terug”. Dit keer rende ik naar buiten en zag dit geweldig grote schip in de vorm van een langwerpige kogel en de bollen die onder uit het schip leken te komen. We zagen de bollen in het schip verdwijnen. Het was ongeveer half elf ’s avonds. Dit spelletje ging zo door tot de ochtend, toen de bollen omhoog gingen en er één bol op de weg achterbleef.

Ik liep maar heen en weer tussen de voortuin en de achterkant van het huis. Ik bleef naar de bollen kijken. Ik zei tegen mezelf: “Dit kan zo niet doorgaan, ik moet iets doen, maar wat?” Eerst was ik van plan om er naartoe te lopen, maar toen bedacht ik dat die bollen misschien wel vol elektriciteit konden zitten en in dat geval zou ik eindigen als een gegrild sardientje. En plotseling zei ik tegen mijn vader: “Ik heb een geweldig idee. Ik pak de auto en ga proberen dichterbij te komen”. Ik bedacht dat als ik dicht genoeg kon komen, ik erop kon schieten en ze wegduwen met de bumper van de auto.

Dus ik nam de auto en reed langzaam richting bollen. Na ongeveer dertig meter dacht ik dat ik hallucineerde. De bol ging vooruit. Was ik het nu die vooruitging of de bol? Het was dus de bol die bewoog. We gingen zo een aantal kilometer door en toen ben ik maar gestopt en teruggegaan. De bol heeft mij op de terugweg nog een tijdje gevolgd en verdween toen rechts tussen de bomen. Navolgend zag ik een soort vliegende schotel met een dubbele koepel. Ik kon binnen silhouetten ontdekken, verder niets.

De hitte nam opeens sterk toe. Dit gebeurde allemaal tegelijk en mijn motor begon te sputteren. Ik was gewend om te rijden en reed altijd snel. Dus, wat deed ik: Toen de motor niet wilde optrekken, trapte ik de koppeling in, zodat ik nog bleef rollen als de motor zou stoppen. In die tijd waren er nog niet veel mensen die een auto hadden. De pastoor, de onderwijzer, de majoor en de assistent majoor die in het volgende dorp woonde. Er waren dan ook geen andere auto’s op de weg. En het was bovendien nog midden in de nacht.

Ik had het bloedheet gekregen, het voelde alsof ik ging stikken, ik begon te knikkebollen, kon mij niets meer herinneren en verloor het bewustzijn. Toen ik weer bijkwam, lag ik in een sloot. Ik dacht bij mijzelf: “Wat doe ik hier?” En toen kwamen de herinneringen terug. Ik liep terug naar de auto en probeerde die te starten. En dat lukte, hij startte onmiddellijk.

Toen ik weer thuis kwam zag ik mijn ouders. Overal brandden lichten. “Wat doen jullie hier?”, zei ik. “Weet jij hoe laat het is?”, antwoordden zij. “Het is vier uur ’s ochtends en we hebben uren op je gewacht” “Waarom zijn jullie niet naar de buurman gegaan om zijn motor te lenen en mij te zoeken?”, vroeg ik. “Maar mij beste jongen, er was een lichtbol bij de voordeur en een andere bij de achterdeur. Ze zijn daar uren gebleven, al die tijd op dezelfde plaats. Ze zijn pas weg gegaan toen jij de heuvel af kwam”. Ongeveer een halve kilometer oftewel dertig seconden voordat ik aankwam.

En nu begreep ik waarom zij niet weg hadden kunnen gaan. Ik vertelde mijn ouders dat ik ging slapen. Het was vier uur in de morgen. Een paar dagen later was ik onvoorstelbaar moe en moest gewoon gaan slapen. Ik kon simpelweg niet meer rechtop staan. De vermoeidheid sloeg genadeloos toe en ik ging naar mijn kamer. Ik had de laatste dagen ook bijna geen kracht gehad om te kunnen werken. Eigenlijk alleen maar af en toe. En toen later kwamen ze weer terug.

Ik heb niets opgeschreven. Dat had ik eigenlijk wel moeten doen, maar ik had niet de tegenwoordigheid van geest om pen en papier te pakken. Nu zou ik willen dat ik dat wel gedaan had, al was het alleen maar voor de precieze data. Er werkten boeren met tractoren ’s nachts in de velden rondom ons huis. En soms was er dan dit grote licht. Het zag eruit als de koplamp van een motor. Ik staarde naar dit “ding”. Het projecteerde licht, het werd geweldig groot en op dat moment voelde ik dat ik terug moest gaan naar mijn kamer.

En een paar minuten later, heel snel, bewoog er een licht door de muur heen en de kamer was helemaal verlicht. En er kwamen mensen binnen. Ik telde op een gegeven moment negen mensen. Dat aantal variëerde. Meestal was ik gewoon wakker en soms half slapend. Ik weet het niet precies meer. Op een dag merkte ik dat ik een armband om had die zich langzaam met bloed vulde. Ik voelde niets. Geen prik of iets dergelijks. En toen ze weg waren sliep ik heel erg goed. En de volgende dag ging ik weer gewoon aan het werk.

Toen, op een gegeven moment, terwijl ik klaarwakker was, begonnen ze iets met mij te bespreken. De Gids stelde zichzelf voor. Ik was klein volgens hem en hij was een “ace” (uitblinker). Ik vroeg wie hij was. “Ben jij God? Zijn jullie Engelen?” Ik vroeg dat omdat ik katholiek ben opgevoed. Hij antwoordde: “We zijn geen Goden en ook geen Engelen. Wij zijn mensen. Wij behoren net als jij tot het mensenras. Er zijn nog andere mensenrassen in het universum. Wij zijn de ontdekkers en onderzoekers van de sterren. Op onze planeet worden we beschouwd als wetenschappers. We bezoeken andere zonnestelsels, andere werelden, andere melkwegen en we bestuderen alles”.

Langzaam maar zeker begonnen we met elkaar te praten. “Wij zullen jou iets leren wat je Yoga zou kunnen noemen. Er zijn standaarden voor, maar daar hoef jij je niet druk over te maken, We zullen het jou laten zien en je zult net als wij aan het werk gaan” Ik begon met mijn eerste Yogasessie. Ik geloof dat het de Bioloog was die het mij voordeed in mijn kamer die niet al te groot was. “Ik zal je twee oefeningen laten zien en één ademoefening” Er waren drie dingen die ik moest doen.

Ik had in die tijd regelmatig last van migraine. Soms, als ik op de boerderij aan het werk was, dan kon ik dat gewoon niet afmaken omdat ik moest gaan liggen. Ik moest overgeven, nam allerlei medicijnen zoals Aspirine, Préfagil en Calmine. Ik had werkelijk vreselijk veel last van migraine. Het enige wat ik kon doen was in het compleet donker liggen. Ik kon geen geluid of wat dan ook verdragen.

De Gids vertelde mij toen: “We zullen jou een voorstel doen om een taak uit te voeren en uiteraard zul je daarvoor worden gecompenseerd. We hebben technieken die het migraineprobleem voor jou zullen oplosen. Maar er zijn een paar aanpassingen die we moeten doen”. En gek genoeg, daarna werd het heel snel beter. Dit was is oktober 1968 en om half elf ’s avonds begon ik met mijn Yoga-oefening.

Wordt vervolgd.

Bron:

UFO Digest