rsz belofte rusland 1990Wat iedereen bij ons allang weer is vergeten is hetgeen er gebeurde in 1990 na de val van de muur. 

Er werd een belofte gedaan aan Rusland en het zal niemand verbazen dat het Westen die belofte keihard heeft gebroken omdat ze een oorlog met Rusland willen.

Het was februari 1990 toen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, de Sovjetleider Michail Gorbatsjov diep in de ogen keek.

De inzet was historisch: de hereniging van Duitsland.

Om de argwanende Sovjet-Unie over de streep te trekken, deed Baker een even kraakheldere als plechtige toezegging: de jurisdictie en troepen van de NAVO zouden zich vanaf een verenigd Duitsland „geen inch naar het oosten” uitbreiden.

Gorbatsjov geloofde hem. De wereld haalde adem. De Koude Oorlog was voorbij, een nieuw tijdperk van vrede en partnerschap brak aan.

Tenminste, dat dachten we.

Nu, decennia later, kijken we naar de rokende puinhopen van de internationale diplomatie. De NAVO schoof niet één inch op, maar duizenden kilometers. Het westerse antwoord op de logische woede die dat opriep? Juridisch haarkloverij. „Het stond niet zwart-op-wit,” zo klinkt het ijzig vanuit de westerse hoofdsteden. „Het was slechts een informeel gesprek, geen geratificeerd verdrag.”

Met die paar zinnen legde de politieke elite destijds de blauwdruk neer voor het morele faillissement dat onze huidige samenleving kenmerkt.

Want wat hier feitelijk gebeurde, was niets minder dan ordinair verraad, verpakt in chique diplomatieke taal.

Als de hoogste vertegenwoordigers van de machtigste landen ter wereld hun woord kunnen geven om een geopolitieke deal te sluiten, om dat woord vervolgens bij de eerste de beste gelegenheid als 'ongeldig' te verscheuren, wat is een belofte dan nog waard?

Het antwoord is pijnlijk en rauw: helemaal niets.

Dit dossier is niet zomaar een stoffig geschiedenislesje over de jaren negentig. Het is de oerbron van het diepe, vretende wantrouwen dat vandaag de dag door onze eigen samenleving giert.

De cynische tactiek die destijds op het wereldtoneel werd gebruikt—beloven wat op dat moment uitkomt, en later achter juridische vluchtwegen kruipen om die belofte te breken—is de standaardmethode geworden van de autoriteiten die ons besturen.

Of het nu gaat om geopolitieke garanties, de stabiliteit van onze economie, de bescherming van de burger of de beloften die tijdens verkiezingen worden gedaan: het patroon is overal exact hetzelfde. Burgers worden geacht zich aan de wet, de regels en fatsoensnormen te houden.

Maar de autoriteiten zélf opereren in een schimmig universum waar de letter van de wet de geest van de wet vermoordt.

Als het hen uitkomt, wordt de werkelijkheid verdraaid, worden afspraken hergedefinieerd en staat de burger met lege handen.

Wanneer de overheid of internationale instituten nu roepen dat we hen moeten vertrouwen, klinkt dat als een holle echo uit het verleden. Want hoe kun je een autoriteit vertrouwen die heeft bewezen dat haar woord een houdbaarheidsdatum heeft die afloopt zodra de belangen verschuiven?

Het breken van de „not one inch”-belofte in 1990 was geen incident; het was een precedent. Het liet zien dat machtspolitiek het áltijd wint van integriteit en fatsoen. Het heeft de wereld niet veiliger gemaakt, maar juist gevaarlijker, omdat de basis onder elke vorm van vrede—onderling vertrouwen—vakkundig is gesloopt.

We hoeven het gedrag van overheden niet langer mooi te pratenof te vergoelijken met politiek opportunisme. De harde les van de geschiedenis is dat we als burgers niet gek zijn.

Het wantrouwen dat miljoenen mensen vandaag de dag voelen jegens de gevestigde orde is geen 'complotdenken' of 'onvrede'—het is de volkomen logische, gezonde reactie op decennia aan aantoonbaar verraad van bovenaf.

Wie zijn woord breekt, verliest zijn recht op vertrouwen. En dat is exact waar we nu staan.

En het resultaat van bovenstaand verraad ten opzichte van de bevolking is de komende (geplande) oorlog met Rusland.